zEVEN NAMEN

SALOMON GOSSELS
BET KLAARTJE HARTOG
GOUSJE LOBSTEIN
JOHANNA SCHOLSSER- POLAK
SAMUEL BERG
ABRAHAM ROZENDAAL
HEINTJE LENA SPANJAR

2018 EEN JAAR OM BIJ STIL TE STAAN

Zo is het.
Het jaar 2018 is een jaar om bij stil te staan. De Historische Vereniging Borculo publiceert haar vijftigste nummer van Borklose Maote. Proficiat voor een tijdschrift dat zich het lijfblad mag noemen van iedereen die hart heeft voor de geschiedenis van Borculo.

Het jaar 2018 is ook om een andere reden een gedenkwaardig jaar. Tien jaar geleden in 2008 werd de restauratie van de Borculose synagoge voltooid.

Het jaar 2018 is om nóg een reden van belang. Want 75 jaar is het geleden dat de laatste Joodse inwoners van Borculo op transport gingen. Een duistere bladzijde in ons geschiedenisboek die vertelt van een groot gemis. Dat is dan ook de titel geworden van één van de belangrijkste publicaties van de Historische Vereniging : Het Grote Gemis.

Het jaar 2018 is tenslotte ook belangrijk omdat wij in dit jaar de laatste Stolpersteine zullen plaatsen. U weet het wel. Stolpersteine zijn de kleine gedenksteentjes die gelegd worden bij huizen van Joodse families en personen die in de oorlog zijn vermoord.

Vijf jaar geleden kwamen wij in Borculo wonen. Ik kocht Het Grote Gemis en maakte de daarin beschreven wandeling en toen ontdekte ik dat er nog Stolpersteine ontbraken. Van het bestuur van de Stichting Synagoge Borculo kreeg ik het verzoek uit te zoeken om welke ontbrekende personen en families het ging – het werd het begin van mijn betrokkenheid met de geschiedenis van het Borculose jodendom.

We gaan in dit voorjaar de veertien ontbrekende steentjes alsnog plaatsen. Ik wilde u graag uitnodigen om met mij een kleine wandeling door Borculo te maken. Dan vertel ik u over de Joodse inwoners van Borculo die alsnog een naam en een gezicht gekregen hebben.

Café Marktzicht

We beginnen onze wandeling op de markt. De veemarkt van weleer.
Aan de ene kant stond café Marktzicht. Nu heb je daar de slager en de bakker. Aan de andere kant in één van de zogenoemde Elzashuizen op nummer 22 van de Weverstraat woonde de caféhouder Sam Berg met zijn vrouw Matilde en hun dochter Amalia. Eigenlijk was Sam veehandelaar. Maar na de cycloon van 1925 bouwde hij aan wat toen de nieuwe veemarkt was met vooruitziende blik bovengenoemd café. Een kleine foto getuigt daarvan waarop je behalve Rachel Noot met haar kind – echtgenote van de godsdienstonderwijzer Hartog Noot – rechts boven ook het bordje ziet waarop staat S.J. BERG VERGUNNING.

Rachel Noot

Dochter Amalia gaf er dansles aan Joodse jongelui en moeder Matilda kleedde de Joodse bruidjes aan nadat die in het Joodse badhuis – het mikwe – hun rituele reiniging ter voorbereiding van hun huwelijk hadden ondergaan. Het moet op de veemarkt een vrolijk gezicht zijn geweest.

Op de site Joods Monument kun je iets over de familie Berg lezen die in maart 1941 onderdak vond in de Korte Nieuwstraat 17 in het centrum van Apeldoorn. In dat huis verbleef ook het echtpaar Neuhaus dat uit Duitsland was gevlucht. Gerrit Vruggink heeft in zijn boek een rekening opgenomen van de Joodse psychiatrische inrichting Het Apeldoornsche Bosch waarin gesproken wordt van verpleegkosten ten behoeve van de patiënt Samuel Jacob Berg. Deze poging om zich te onttrekken aan de greep van de bezetter heeft niet mogen baten. Alle Joden uit Apeldoorn moesten zich melden bij het ziekenhuis en op 22 januari 1943 volgde de ontruiming van het Apeldoornsche Bosch. Ook Sam en Matilda met hun dochter Amalia zullen daarbij zijn geweest. Op 12 februari 1943 zijn ze in Auschwitz vermoord.

Johanna Schlosser

We wandelen nu naar de Hofstraat en blijven voor het huis op nummer 7 staan. Hier woonde Johanna Schlosser – Polak. Johanna heeft geen makkelijk leven gehad. In 1926 stierf haar zoon Salomon. Twee andere kinderen – David en Naatje – waren al eerder gestorven. In 1938 overleed ook haar man Levi.

Haar zoon Salomon liet een jonge weduwe achter die Eva van Buren heette en een jongetje van zeven. Levi heette het naar zijn grootvader. Beter bekend geworden als Lou Slosser die in Het Grote Gemis nog een mooi artikel zou schrijven. Eva hertrouwde met Wolf Hartog. Toen Eva en Wolf en ook Lou onderdoken bleef Johanna alleen achter in het lege huis aan de Hofstraat. Ze werd op 29 maart 1943 met de bejaarde Joodse inwoners van Borculo in een gereedstaande overvalwagen op het Muraltplein gedreven en vervolgens naar het beruchte concentratiekamp Vught gebracht.
Anderhalve maand later op 14 mei 1943 vond ze in Sobibor de dood. Ze was 77 jaar.

Gezicht op de Hofstraat

Eén huis verder op nummer 11 woonde Bet Klaartje Hartog.
Ze woonde naast haar broer en zuster Aron Herman en Rebecca Hartog. Zij kwamen uit het gezin van Mozes Hartog en Jansje Cutzien. Deze Mozes is voorzitter van de Joodse mannenvereniging geweest.

Mozes Hartog

Net als andere telgen uit het geslacht Hartog behoorde ook hij tot het hart van de vrome Joodse gemeenschap van Borculo. Bet Klaartje is in Deventer winkeljuffrouw geweest. In 1938 keerde ze terug naar Borculo en ging wonen naast haar broer en zuster. Alle drie vonden op 30 april 1943 in Sobibor de dood.

De oudste broer van Bet Klaartje was Jo Hartog. Hij verloor twee kinderen in de oorlog en zijn eerste vrouw Helena Heijmans uit Groenlo. Zelf overleefde hij de oorlog en hertrouwde met Steppy Joachimsthal – de Paauw. Jo had een grote rol in het verzet en zou na de oorlog belangrijke functies bekleden mede in de Joodse gemeente.

Het winkeltje van Gouda Lobstein

We gaan naar het winkeltje in garen en band van Gouda Lobstein. Haar naam doet denken aan de premier van de staat Israël Golda Meir maar in Borculo ging ze als Gousje Lobstein door het leven. Het winkeltje stond op de hoek van het Muraltplein en de Korte Wal. Op de foto ziet u hoe het er hier vroeger uitzag. Een domineesmevrouw heeft ooit verteld dat – als Gousje in haar winkel een laatje open trok – de rolletjes band en de klosjes garen over de grond rolden. Zo vol was het er. Een nota vermeldt dat je bij Gousje ook terecht kon voor zilver en goud.

Nota G. Lobstein 1922

Jacques Lobstein was haar broer.
Hij was directeur van de grote Joodse psychiatrische inrichting Het Apeldoornsche Bosch. Gousje is ondergedoken bij haar broer in die inrichting. Dilly Bosman – Sprokkereef zocht haar een keer op. Ze wandelden in het park. Gousje slaakte ineens een kreet. Daar komen ze! Ze zag hoe de Duitsers het terrein opkwamen op weg naar de gebouwen van het ziekenhuis. Het vervolg was een huiveringwekkend scenario dat eindigde in het vuur van Auschwitz.

Jacques echter is aldus het Joods Monument met zijn vrouw Gonda van Rijn in Bergen- Belsen beland. Tegen het eind van de oorlog werd het kamp ontruimd en reden beiden in een trein vol uitgemergelde gevangenen door Duitsland. In Tröbitz werden ze door het Russische leger bevrijd. Jacques en Gonda waren zo verzwakt dat zij enkele dagen later overleden. Ook Gousje is niet hetzelfde lot ten deel gevallen als de patiënten van Het Apeldoornsche Bosch. Ze werd op 9 juli 1943 in Sobibor vermoord. Nu er voor de plek waar haar winkeltje stond een gedenksteentje ligt met haar naam, worden we er weer aan herinnerd dat zij hier heeft gewoond.

We wandelen Borculo weer in en blijven staan bij het beeldje van de chazan op het Muraltplein bij de schoenenzaak van Schuurman.
Het beeldje staat aan de voet van twee statige huizen. Het ene bekroond met een driehoekig timpaan. Hier woonde Nathan Elzas de directeur van de perkamentfabriek. Het huis rechts is niet minder ruim dan het zijne al oogt het eenvoudiger. Hier woonde ooit Louis Meijer. Hij was de laatste chazan – voorzanger – van het Joodse Borculo.

De kinderen van Louis en zijn vrouw Ida zijn allemaal omgekomen. In de nabijheid van hun gedenksteentjes zijn nu drie nieuwe gelegd. Die van Salomon Gossels en zijn vrouw Malchen Meijer en haar zuster Lena Meijer. We weten niet zo heel veel van hen. Salomon kwam uit Emden. Hij trouwde in Bentheim met Malchen Meijer. Ook daar liggen drie Stolpersteine. Van Salomon, Malchen en haar zuster Lena. Drie letters beschrijven het lot van Salomon. Drie letters op een gedenksteentje.

De gedenkstenen van Salomon Gossels en zijn vrouw Malchen en haar zuster Lena Meyer

Mogen we weinig van hen weten, toch zijn hun namen in het plaveisel stille getuigen van een geschiedenis waar je stil van wordt.

De site Joods Monument van het Joods Historisch Museum vertelt dat Salomon in 1939 naar Borculo komt. Malchen en haar zuster Lena zijn aldus Het Grote Gemis dan al op 30 januari 1938 vanuit Arnhem naar Borculo gekomen. Zij kregen in Borculo een verblijfsvergunning.

Wat heeft zich afgespeeld in die jaren?
We weten het niet.
Wat we wel weten is dat in de nacht van 9 op 10 november 1938 de Kristallnacht plaatsvond. Synagogen in Duitsland gingen in vlammen op en Joodse burgers werden mishandeld en vernederd. Winkelruiten werden ingeslagen. De Duitse Joden konden geen kant meer op.

Louis Meijer heeft de vluchtelingen uit Bentheim opgevangen in zijn huis. Ruimte genoeg immers en heeft zijn dochter Bethje zich niet verloofd met Horst Meijer – ook al een Duitse vluchteling?

Allemaal vonden ze in Auschwitz de dood. Johanna, Bethje, Izaak en Michaël Meijer. Horst Meijer uit Hamburg en die andere vluchtelingen uit Bentheim. Lena Meijer op 27 november 1942. Salomon en Malchen Gossels – Meijer op 3 december van datzelfde jaar.

Salomon en Malchen hadden een zoon die de oorlog overleefde. Kar Gossels. Op 3 juni 1945 vraagt hij de burgemeester van Borculo of deze iets van zijn ouders en zijn tante weet en waar hun eigendommen zijn gebleven. Kar schrijft de brief vanuit Bradford ten noorden van Manchester. De brief is geschreven in het Duits. De taal van de vluchtelingen uit Bentheim.

Langs de voormalige Joodse school aan de Korte Wal gaan we via het eiland naar de Burgemeester Bloemersstraat 5. Een mooie vrijstaande woning tegenover de hertenkamp.

Voor het huis vier steentjes. Van Bram Roozendaal en zijn vrouw Debora Spanjar en hun zoontje Salomon. En van grootmoeder Johanna Roozendaal – Roozendaal. Velen van ons weten nog wel de winkel van Mau Roozendaal even verderop. Bram was zijn broer.
Al eerder schreef ik over Bram en Debora met hun kind een artikel in Borklose Maote.

Vaak kom ik langs het huis dat ze ooit moesten verlaten. Telkens denk ik aan wat ik weet. Aan grootmoeder Johanna die 72 jaar was toen ze op 14 mei 1943 in Sobibor werd vermoord. Aan Bram en Debora met hun kind die twee weken later in Westerbork in de trein moesten en op 28 mei 1943 in Sobibor werden vermoord.

Nu liggen er de kleine gedenksteentjes opdat we even stilstaan bij wat er met de vier mensen uit dit huis is gebeurd.

Het huis van de familie Spanjar

Tenslotte gaan we naar het hoekhuis gelegen op de hoek van de Burgemeester Bloemersstraat en de weg naar Barchem.
Hier woonde Jacob Spanjar met zijn vrouw Marie Augusta de Vries en hun vier kinderen. Jacob kwam uit Rijssen. Hij was veehandelaar en liet zijn vee grazen op de Jöddenweiden even verderop.

Achter het huis stond een treurels. Een boom die zijn takken liet hangen tot op de grond. Onder die takken vierde het gezin jaar in jaar uit het Loofhuttenfeest. Het is het feest waarop van het volk Israël gedenkt dat tijdens de veertig jaar durende tocht van Egypte naar het Beloofde Land de Eeuwige naar zijn volk heeft omgezien.

Jacob is met zijn gezin ondergedoken. Ze werden verraden en omdat ze geen gevolg gegeven hadden aan de oproep van de bezetter om zich vrijwillig te melden kwamen ze via het beruchte kamp Vught terecht in het strafkamp binnen kamp Westerbork.

Aan de gedenksteentjes bij hun huis ontbrak tot voor kort dat van de oudste dochter Heintje Lena.
Jacob en Marie moeten gedacht hebben dat Heintje in het westen van ons land veiliger zou zijn en dus ging ze naar een tante in Wassenaar. Rijksstraatweg 701. Daar woonde Sophia Spanjar die getrouwd was met Wolf van Leeuwen.

Maar ook Heintje is opgepakt. Ook zij werd naar kamp Vught gebracht. Ze moet daar haar ouders, haar zusje en beide broers hebben teruggezien. Op 9 mei 1943 verliet het gezin het kamp om naar Westerbork te gaan.
Twee dagen later stond de trein naar Sobibor al gereed. Op 14 mei 1943 werd Heintje tegelijk met haar moeder, zusje en broers vermoord. Jacob Spanjar werd met 80 anderen geselecteerd om naar het werkkamp Dorohucza te gaan. Meestal hielden de gevangenen het daar niet lang vol.

Een klein gedenksteentje vermeldt nu eindelijk ook de naam van Heintje Lena Spanjar. Ze was 18 jaar toen ze in Sobibor de dood vond. Nog maar 18 jaar.

Henk G. Teeuwen
geschreven in het voorjaar van 2018

Borklose Maote no. 50

Geesteren Gelselaar en Haarlo